GERMA VAN DEN BOOM: UITSLUITEN OP BASIS VAN DNA UITGESLOTEN
Op de avond van de verdwijning van Germa van den Boom kwam een man – met bebloede handen en gezicht – een café binnen, zo verklaarde een getuige destijds. Hij vertelde dat hij had gevochten en wilde hier verder niets over kwijt. Deze man zou een bekende van Germa zijn geweest. Dit was voldoende aanleiding – voor het toenmalige rechercheteam – om alle pijlen te richten op deze mogelijke verdachte. Omdat de man inmiddels al was overleden werden zijn kinderen benaderd om DNA af te staan. De man werd uiteindelijk – na DNA onderzoek – uitgesloten als mogelijke dader.
In 2003 kwam Arie van der Stelt op het idee om alle mannen – die destijds 16 jaar en ouder waren – te vragen om DNA af te staan. De voormalige buurman van Germa verzamelde uiteindelijk 96 handtekeningen, maar het DNA onderzoek werd door justitie afgewezen. Arie zou persoonlijk wél – na DNA onderzoek – zijn uitgesloten als dader. Hij beweert een bewijs te hebben dat hij de dader niet is, namelijk een schrijve over zijn DNA. Volgens Ad Mol – zijn trouwe kompaan – was Arie hier groots mee. Hij zou zich hiermee kunnen rechtvaardigen.
Maar heeft Arie hier wel gelijk in? Als zijn DNA inderdaad zou zijn onderzocht en hij dit – zwart op wit -aan zou kunnen tonen, kan hij zich hier dan inderdaad mee rechtvaardigen? Zou hiermee dan inderdaad onomstotelijk vast kunnen staan dat hij niets met de verdwijning van zijn buurmeisje te maken zou kunnen hebben? Of bewijst het ‘bewijsstuk’ van Arie – waar hij zo groots mee is – in werkelijkheid eigenlijk niet zo veel als hij misschien zou willen?
Om iemand op basis van een DNA onderzoek uit te sluiten als mogelijke dader, is immers een ‘daderspoor’ nodig. In de zaak Germa van den Boom is echter niet eens hard bewijs gevonden van een misdrijf, laat staan dat men in bezit zou zijn van een ‘duidelijk daderspoor’. Dit betekent dat alle DNA-onderzoeken in de zaak Germa van den Boom – waaronder die van Arie van der Stelt en de man uit het café – in werkelijkheid hoogstens kunnen bewijzen, dat hun DNA niet overeenkomt met het DNA waarmee het is vergeleken. Maar met welk DNA dit dan ook is vergeleken, er is absoluut geen enkel bewijs dat dit spoor daadwerkelijk van dé dader is. Sterker nog, er is geen eens bewijs dat er überhaupt sprake is geweest van een dader. Het is in de zaak Germa van den Boom dus uitgesloten dat men iemand kan uitsluiten enkel op basis van DNA.
